Toch nog even over de Parelduiker
Net als de kleuren van de Parelduiker en mijn herinneringen aan die dag die altijd in zachte grijstinten zullen zijn…
De foto van de IJsduiker levert via Facebook veel bevestigende reacties op. Ik zit daar in een groepje vogelvrienden die elkaars waarnemingen bevestigen of juist relativeren. Er zitten ook een paar trollen bij die zich wat laatdunkend uitlaten tegen beginnende vogelaars of met grappen komen die alleen insiders snappen. Zo stond er laatst een foto van een park-eend op de pagina en de mevrouw in kwestie vroeg wat voor soort dier het was. Nu is de wilde eend van het geslacht Anas met de soortnaam Platyrhynchos. Een van de specialisten wist met veel omhaal de eend van de mevrouw te determineren als Anas Unox (soepeend). Is ook wel grappig, maar altijd respect voor mensen die belangstelling tonen en een effort doen.
Ik was 14 en een beginnende vogelaar. Mijn stiefvader Aad had van de huisarts (Henk van der Lee) gehoord dat er een Parelduiker bij het Hellegatsplein zat. Aad en Henk maakte onderdeel uit van het bestuur van Hoekschewaards Landschap, waar mijn moeder secretaris was en waar ze Aad had ontmoet. Henk was echt zo’n dorpsdokter, half brilletje, grote BMW en spendeerde zijn inkomen voor een goed deel aan de Villa aan de Burgemeester de Zeeuwstraat en vogelreizen over de gehele wereld. Hij deed veel huisbezoeken (dat deed een dokter in 1980 nog…) en wist daardoor als eerste als er ergens wat te zien was. Hij was een soort ‘app-groep’ avant la lettre. Ik heb dokter Van der Lee eens willen vragen wat een bepaalde vogel was. Een paar maanden later waren we bij mijn opa in Zuid-Frankrijk en zag ik een vogel die gevlekt was met lange staart en ik kon hem nergens vinden in alle boeken thuis. Aad wist het ook niet, maar het dier stond zo op mijn netvlies, dat ik hem minutieus kon beschrijven, maar niet op naam kon brengen. Ik kon het de Dokter vragen, toch? Mijn moeder vond dat geen goed idee omdat dat naar Aad toe gevoelig zou liggen. De ene vogelaar weet nu eenmaal meer dan de ander en dat moest vooral onder de oppervlakte blijven. Jaren later zag ik het dier opnieuw en wist toen dat mijn waarneming uit 1982 een jonge Kuifkoekoek was. Aanhouder met goed geheugen wint…
Als vogelaar was ik nog zo groen als gras, maar mijn enthousiasme compenseerde mijn gebrek aan ervaring en kennis voor een deel. Dus ik na school mijn tas in de hoek gegooid, kijkertje om en op de fiets naar het Hellegatsplein. Het is een kunstmatig eiland in het Haringvliet om de Haringvlietbrug, de Kreekraksluis en de Ventjagersdam met elkaar te verbinden. Zo kon het verkeer soepel van de Hoeksch Waard naar West-Brabant en Flakkee. Het is 20 minuutjes fietsen en ik kwam er vaak. Er was een stukje met riet, de beschutting van golfbrekers die macaber genoeg van oude grafstenen waren gemaakt. Soms probeerde ik delen van namen en data bij elkaar te puzzelen. Dit is wat er overblijft van mensen en herinneringen… heel relativerend. Er groeide wilgen langs de Ventjagersdam waar allerlei trekvogels in gingen zitten. Daar hadden konijnen vrij spel en de fitis zong in het voorjaar zijn zoete lied. Aan de andere kant van de dam lagen de Ventjagersplaten, een gebied waar nog 30 centimeter getijdenverschil was, omdat de Philipsdam nog niet dicht was. Daar zaten allerlei steltlopers (altijd met tegenlicht…) en vlogen Kiekendieven rond. Soms een Visarend of een Slechtvalk, maar dan had je echt mazzel. Er was een stuk waar het zand verticaal was afgekalfd en waar ik mijn eerste Oeverzwaluwen zag. Later verdwenen de getijden, kwamen er Hooglanders en heel veel Grauwe Ganzen.
Fietsje op het surfstrandje gezet, rondje lopen langs de Kuifeendjes en Tafeleenden en onder de brug door naar de andere kant. Onder de brug hoorde je de vrachtwagens denderen wat de holle staalconstructie deed echoën. Kraag omhoog, koude wind, zwarte muts en toch een beetje angstig omhoogkijken.
Ja hoor, daar zat ie! Achter de hoogspanningsmast die de fluitende kabels hooghield over het water, zat zo’n 100 meter uit de kant een grote gestroomlijnde fuut in wit en zachtgrijs. Snavel parmantig schuin omhoog, regelmatig onderduikend om minuten later weer ergens anders op te duiken.
Met rode vingers schreef ik in mijn excursieboekje de waarneming bij. Ik had een kaartje nagetekend van het gebied met zelfgemaakte coördinaten zodat ik aan kon geven wat, wanneer en waar precies ik iets had gezien. Ergens heb ik het boekje nog, maar de herinnering is nog knisperend vers, maar in zwartwit.
Als ik dan nu zie hoe snel informatie gaat, hoe veel je kunt terugvinden op het internet aan beeld en geluid, hoe je op een forum je ervaringen kunt uitwisselen en actuele waarnemingen en verspreiding kunt inzien… Vroeger (hoor mij zeg!) had je een vogelboekje dat ‘Zien is Kennen’ heette. De ervaren vogelaars hadden dan een echte vogelgids: de Petersons Vogelgids. Deze was uit het Engels vertaald door de ornitholoog Kist, waardoor deze gids ‘de Kist’ werd genoemd. Dat jaar kreeg ik de Kist voor mijn 14e verjaardag en ik had hem zorgvuldig gekaft met een paginagrote foto van een Havik uit het tijdschrift ‘Vogels’ van de vogelbescherming.
Ik had hem en mijn kijker altijd bij me tot op een keer ik mijn Kist op een rotspunt heb laten liggen in 1991 op Mallorca. Ik had zitten kijken naar de Eleonora valk en was mijn vogelgids vergeten. Een paar weken later kreeg ik het per post opgestuurd vanuit Duitsland. Iemand had de gids gevonden en herkend dat het een waardevol persoonlijk bezit was. Zo lief dat iemand dat oppakt en de moeite neemt om het adres van mijn ouderlijk huis over te nemen op het pakketje. Zo kwam mijn Kist weer thuis, al had ik direct na mijn vakantie een andere gekocht. De nieuwe druk was volledig in kleur, waar mijn oorspronkelijke versie deels zwartwit was. Net als de kleuren van de Parelduiker en mijn herinneringen aan die dag die altijd in zachte grijstinten zullen zijn…