Witte nacht ver van huis
‘For the ones who were here and the sighs that remain’
In het ochtendlicht komen de kleuren van Schotland langzaam ons beeld inglijden. Heuvels van fris- tot mosgroen, bruin gesteente en het frisse geel van Brem en Guichelheil. Stalen monsters zijn vanuit de zee de haven ingeklommen en torenen hoog boven de kade uit als dinosauriërs uit het tijdperk van fossiele brandstoffen.
Natuurlijk kun je heerlijk slapen in zo’n bed. Echt, we hebben best in wat vreemde bedden geslapen, maar hier aan boord is het een dikke negen. Balkondeur op een stevige kier, het geruis van de zee, de wind neemt de zilte zuurstof mee naar binnen en we kunnen heerlijk knorren.
Ik doe een half oog open in de schemering en heb het gevoel al een behoorlijke dut te hebben gedaan. Het is 00:45 uur en alles is rustig. Vervolgens zie ik het 02:53 uur, 04:10, 05:03, 05: 57 en 06:13 worden. Nog voor de wekker gaat klim ik eruit en ga ontbijt en koffie halen. We willen rustig opstarten en kort na 08:00 uur zou onze excursie vertrekken.
Dikke pluimen voor de cruisemaatschappij, want ze weten de 3000 passagiers en bemanningsleden georganiseerd door de douanecontrole heen te loodsen. Overal even vriendelijk en hoffelijk staan er mensen die je de weg wijzen, precies op het moment dat je denkt: “En nu…”.
De busrit naar Dornoch is even ontspannen als de slingerende weg door het heuvelachtige landschap deed verwachten. We luisteren naar de verhalen van de gids, laten ons informeren in het museum dat alle charme heeft van een dorpse verzameling oudheden. Van een handbijl van 6000 jaar oud, tot de lokale trechterbekercultuur van ver voor de jaartelling, tot de zandstenen gargoyle. Er is niet veel, maar het bestrijkt alle tijdsvlakken tot nu. Zelfs het reizen met de trein en de golfsport zijn rijkelijk vertegenwoordigd. Alles met liefde uitgestald en toegelicht met persoonlijke verhalen van de gids. Een zakje munten uit de 13e eeuw, ooit begraven onder een steen om ‘veilig te stellen’ en 700 jaar later vindt een metaaldetector deze kleine schat. Een broche van een Viking (is het nu fonetisch ‘vikking’ of ‘vieking’?) die aantoont dat de Noormannen niet alleen kwamen om te roven en verkrachten, maar ze kwamen ook om liefdevol een gezin te stichten en zich duurzaam te vestigen. Deze broche was voor een Viking-vrouw gemaakt met zo veel aandacht en vakmanschap.
In het hart van het dorp een cottage waar we zo een strikje omheen wilde doen. Daar zou ik een lief ding (of een ledemaat) voor over hebben om daar te kunnen wonen. Ik stel me altijd voor hoe het is om ergens anders te wonen. Dat geeft aan in welke mate ik me ergens op mijn gemak voel. Dornoch scoort hoog, ik zou hier echt kunnen aarden…
Daarna gingen we naar de kathedraal van Dornoch. Beroemd vanwege de plechtigheden rond Madonna (de artiest, niet de maagd) en vooral geliefd vanwege de charme. Gebouwd in een stijl die de overgang vormt tussen de sobere protestantse Anglicaanse kerk en de Gotische pracht en praal van het vaste land. Gesticht als katholieke kerk, maar gelardeerd met mooie verhalen omgevormd naar een presbyteriaanse kerk die in vlammen opging en werd herbouwd door verschillende weldoeners door de eeuwen heen. Waaronder de staalmagnaat Carnegie die ‘for the sake of it’ in Dornoch ook een ‘hall’ heeft laten bouwen. Dan kan de lokale orgel-joke ook zeggen dat ze in Carnegie Hall heeft gespeeld.
Maar, zonder gein, een prachtige kathedraal met beeldschone glas in lood ramen en een rijke historie. Er staat een stenen sarcofaag van een jongere broer van de stichter St.Gilbert. Die lag daar opgebaard met een opvallend beeld erop met gekruiste benen. Vast vanwege de stenen kilt, maar ik vond het raadselachtig. Het verhaal erachter is wel heel kleurrijk. Deze Gilbert ging in de strijd tegen de Vikingen ten onder, maar diende wel de laatste beslissende klap toe. Letterlijk, want hij was ontwapend, pakte het afgehakte achterbeen van een paard en sloeg daarmee de laatste Viking de hersens in. Hij overleed aan zijn verwondingen, maar maakte zichzelf onsterfelijk met deze sage en verdiende zijn plek in de eeuwigheid en deze kathedraal van Dornoch.
Natuurlijk steunen we zo’n kerk met een donatie en de aanschaf van een lief klein Schots beertje voor Eva ;-)
We kopen nog een paar broodjes ‘met niks erop’ omdat het ontbijt wel heel vroeg was. Lekker kluiven aan een vers broodje, wandelend langs rode voordeuren en rozenpracht.
Kort daarvoor liepen we een charity shop binnen, een Brits kroonjuweel in iedere winkelstraat. Waar wij onze zolderopruiming bij de kringloop naar binnenschuiven, geven de Britten hun spullen aan een goed doel die ze in kleinschalige winkeltjes te gelde maken. Daar vonden we twee boekjes waar (nog net niet) de naam van Lisa opstond. Ons liefste nichtje met een voorliefde voor Engelse literatuur in klassieke harde kaft. We raakten aan de praat met de uitbaatster, ongetwijfeld een vrijwilliger, die liefdevol alles had uitgestald en laagdrempelig had geprijsd. Een verhaal over haar zoon, de lokale taal Gaelic en onze taalvaardigheden als buitenbeentjes met onze Nederlandse taal. De man probeerde een gesprek aan te knopen over het aanstaande WK, maar liep daarbij bij mij tegen een blinde muur. “I’m not so much into football…” verontschuldigde ik mij met een gezicht van “…no fucks given”. Toen vond hij het ook wel welletjes en wenste ons een goede reis. De vrouw had wel zin in een praatje en wenste ons al het goeds dat voorhanden was. Juist dat soort contacten maken een dag bijzonder.
Terug aan boord vinden we een lekkere lunch met rijst, kip en veel groenten. Even een beetje compenseren van onze uitbundigheid van gisteren. We lopen toch nog even het dorpje in en vinden een mooi souvenir voor mijn liefste in de vorm van een ‘very Scottish purse’ en doen was boodschapjes.
Invergordon is de versleten versie van een boomtown uit de jaren tachtig en biedt een desolaat straatbeeld met tandeloze randfiguren en dichtgespijkerde ramen. De welvaart uit de olie en gasboringen is duidelijk naar Whitehall gegaan en de Schotten blijven hier met het morsige residu van de welvaart zitten.
De deuren van de kerk staan wagenwijd open en we gaan naar binnen. We kunnen eigenlijk nooit een kerk voorbijgaan zonder even de ruimte te voelen, kunst te bewonderen of een kaarsje op te steken. Deze kerk is specifiek toegewijd aan zeevaarders en alle gelovigen die zich welkom voelen. De man naast de deur kijkt me met grote blauwe ogen aan en heet ons welkom. Verder zonder iets te verlangen of te moeten. Gewoon: “Welcome... “ Ik ga even zitten en als vanzelf komt er een gedicht in me op:
Wel Thuis
Nu ik hier zit omringd door lege stoelen
kan ik nog voelen hoe ze hier zaten
al diegenen die vierden, trouwden, rouwden
mistten, baden, vreesden en verstilden
hun adem zit in de nerven van het houten dak
met de woorden die hij in stilte sprak en bad
tot ieder die hij miste tot op die laatste dag
Zo blijft deze haven een baken, dit baken een haven
met een sober gepunte spits die reikt tot aan de wolken
die naar het oosten drijven met zijn geprevel
terug naar huis, terug naar hen, naar heel
ik raak het even aan en neem het met me mee
In het gastenboek laten we nog een paar woorden achter:‘For the ones who were here and the sighs that remain’