Hoe een dag de mist in ging
het is gewoon die jongen op de fiets in de mist…
Grappig hoe het menselijke brein gericht is op ‘paniek en ellende’. Dus als jij leest hoe we ‘de mist ingingen’ gaat een ander deel in je hersenen allerlei scenario’s bedenken. Er gaan allemaal lampjes aan van ‘sensatie’ tot ‘gevaar’.
Zo anders was het voor ons. We hadden een prachtige rit op de terugweg van de Puffins en bovenaan een stralende, slingerende bergweg kwamen we over een pas en daar reden we zo een mistbank in. Ineens was de zon weg, alles kleurloos, klam en koud. Het bleek een flink wolkendek waar we op een bepaald niveau weer gewoon onder vandaan kwamen en we in ieder geval weer zicht hadden. Geen zon, wel zicht.
Vanavond hetzelfde verhaal: We hadden een prachtige tafel in Tamarind. We zaten op een half rond bankje, met uitzicht op het grote achterraam. We keken zo over het achterdek naar het water, Seyðisfjörður in de stralende zon en de prachtige besneeuwde bergen. Ondertussen stoomden we rustig richting de opening van het fjord, tot op een gegeven moment er mist opkwam met hooguit 50 meter zicht. Een paar mijl buitengaats leek dat op te knappen, maar ook nu, vier uur na vertrek zitten we nog steeds stevig in de mist. Iedere paar minuten laat de kapitein de enorme scheepstoeter klinken. Niet voor andere grote schepen, die hebben ook navigatie, maar je zal maar met je veredelde badkuip uit vissen zijn en totaal overvallen worden door een cruiseliner van 200 meter lang. Die hoor je in dit geval echt wel aankomen… Toeoeoeoeoet!
Vroeger (en nog wel, eigenlijk) was ik dol op mist. Ik woonde langs de dijk in Numansdorp en fietste dagelijks 10 kilometer naar school. Vooral in het late najaar, als het nog halfdonker in de ochtend was en mistte, was het een beetje magisch op de fiets. Het was alsof ik onder een matglazen stolp fietste en mijn wereld heel klein en overzichtelijk werd. Geluid werd gedempt, mijn haar werd een beetje nat en het rook dan altijd heel fris. Mist ging vaak samen met (wind)stil weer en dat versterkte het gevoel alleen maar dat ik helemaal alleen was. Klinkt gek, maar ik vind en vond dat heel comfortabel. Dat is sociaal gezien geen populair uitgangspunt en professioneel al helemaal niet.
In mijn werk merk ik dat ik gemakkelijk ben tussen mensen, maar niet makkelijk mèt mensen ben. Dat heeft me nogal eens opgebroken, zeker toen ik nog in loondienst was. Ik kan niet goed samenwerken. Dat komt onder meer omdat ik zo eigenwijs ben als dat ik groot ben (en nog een stukje), maar ook dat ik vrij snel doorheb dat het bij samenwerken lang niet altijd gaat over het resultaat. Voor je het weet zit je in allerlei sociale conventies klem, gaat het over macht, angst voor confrontatie of afwijzing, gehoord willen worden of ander gedoe. Dan gaat het over het relationele aspect en verdwijnt het resultaat snel naar de achtergrond.
In mijn tijd dat ik interim-werk deed heb ik het nogal eens op de spits gedreven. Op de Hogeschool Rotterdam was ik aangenomen voor een project en ik werd gevraagd samen te werken met een junior die net haar stage was doorlopen. We hadden geen klik en Amrita had een hele trage en bureaucratische manier van werken. Waar zij aan dacht, was ik allang weer vergeten. Ik heb de HR directeur laten weten dat ik dat niet trek, sorry voor Amrita, maar het ging ten koste van het resultaat. Sorry Amrita, alsnog… Bij de ING Bank hetzelfde verhaal: ik deed twee regio’s (Dordrecht en Rotterdam) en zag weinig in de samenwerking met de recruiter die Rotterdam en Den Haag deed. Hij liet Rotterdam los, ik de vrije hand. Dat ging dermate goed, dat ik werd gevraagd de twee recruiters die in Utrecht werkte ‘op sleeptouw wilde nemen’. Dat deed ik twee weken, maar die opdracht heb ik ook op scherp gezet: of zij doen het, of ik. Niet samen. Dus ik deed in mijn eentje drie forse regio’s fluitend met resultaat en behoud van mijn energie. Gewoon omdat het op mijn manier ging. Dat is een van de redenen dat ik alleen werk en dat graag zo wil houden. Het aanknopen en onderhouden van vriendschappen en contacten met collega’s is ook lastiger dan het lijkt voor mij. Het is geen onwil of desinteresse, het is gewoon die jongen op de fiets in de mist.
Dat gaat in feite nog veel verder terug. Als jong kind, een frutje van 2-3 jaar, zat ik ook altijd in kleine ruimtes, ver weg van het gedoe. Als er een verjaardag was, dan was ‘Steefje’ ineens zoek en bleek ik ergens achter een deur te zitten spelen. Of verstoppertje spelen en dan zo goed verstoppen dat ik echt niet te vinden was. Heerlijk gewoon. Ik heb jarenlang aan mijn vader voor mijn verjaardag een ‘hondenhok’ gevraagd. Een klein houten huisje waar alleen ik maar in zou passen. Ik kreeg later precies dat; onder mijn verhoogde bed een ‘hut’ met een gordijn dat ik dicht kon trekken en waar ik maar een paar dingen had staan. Een klein bureautje, een kist met verzamelde objecten en een oude ‘buizenradio’. Dan luisterde ik op de korte golf naar Radio Luxemburg of Praag. Ik had echt mijn eigen wereldje waarin ik juist heel erg kon uitdijen door al het fysieke om me heen klein te maken. Een soort mistbankje eigenlijk. Daarom droom ik ook niet van een groter huis ‘als ik later groot ben’, maar juist compact en dicht om me heen.
Zoals ik ook van de weidse verten kan houden, zo is de mist van nu heel geruststellend. De wereld houdt net voorbij de reling op. Ik hoor nog wel de zee rond boeg van het schip, Ella Fitzgerald en verder niets. Alle prikkels terug naar nul en lekker inzakken in mezelf. Zo heb ik het graag…