IJsland vanuit dit perspectief
Wat een weelde om die keuzes te hebben en altijd terug te kunnen vallen op een plek waar je thuis bent
IJsland heeft ons hart gestolen. Ik kan niet eens echt goed omschrijven wat het is, maar het zit in het land, de zee, de mensen en de lucht. Het totaalplaatje zou je kunnen zeggen. Hoe het ruikt, hoe het voelt, de temperatuur, het licht, het leven, alles eigenlijk.
Natuurlijk kun je na een paar dagen in luxe ronddobberen nog geen beeld krijgen van een land. Maar, zoals je soms van een persoon ook een eerste indruk krijgt (die klopt), die indruk kun je ook krijgen van een land. IJsland heeft het.
IJsland ruikt fris, het is de zeewind, maar ook de opdrogende zeewieren in de haven. Je ruikt de droge poolwind, maar ook de mist die hier ook iets ziltigs heeft. De aarde ruikt een beetje metaalachtig. Het zal het vulkanisch gesteente zijn wat ruikt naar vuur en het binnenste van de aarde wat nog geen daglicht zag. Verder is het ook het ontbreken van geur, er bloeit weinig, er staan vrijwel geen bomen in de stuifmeel en alleen de smeltende toendrastukjes ruiken naar methaan en andere gassen die we thuis niet gewend zijn.
Het voelt hier vertrouwd. Ongekunsteld en ruig, zonder te veel poespas of gedoe. Er is weinig opsmuk, IJslanders houden van mooi en puur en niet van tierelantijnen. Dat voelt goed. Maar het zijn ook de bergen, de ruige riviertjes en watervallen, de smeltende sneeuw en kaalheid die me aanspreekt. De bergen lijken wel als grote brokken uit het diepste van de aarde opgestuwd. Van boven plat, stijl oplopend, aan erosie onderhevig. Alsof het bijeengehouden wordt door de aangevroren sneeuw.
Ja, de temperatuur is anders, het is kouder dan in Nederland, maar dat houdt je ook fris en zuiver. In de winter ligt hier wel een metersdikke laag sneeuw. Eerder deze week hoorde ik dat hier de paaltjes naast de weg ‘stapelbaar’ zijn, zodat ze altijd boven de sneeuw uitsteken en de weg langzaam een tunnel in het wit vormt. Nu is het hier zomer, zonnig en een comfortabele 13 graden. Morgen in Reykjavik (of Helsinki zoals ik dat noem) wordt het zelfs 16 graden. Dat is weer voor een T-Shirt voor de IJslanders.
Het licht is hier ook anders. Zeker nu de zon niet ondergaat lijkt het daglicht ook een ander filter mee te krijgen. Zoals het licht in de ochtend ook anders is dan in de avond. Zo is het licht in IJsland op een bepaalde manier fel en lichtblauw. In de mist is er altijd een oriëntatiepunt van de zon in deze tijd van het jaar. De mist lijkt nu dun, de regen vergankelijk, het licht voorlopig blijvend.
Het leven is hier pittig. Niet alleen vanwege het klimaat, maar zeker ook door de hardheid van het land en de puurheid van het bestaan. Natuurlijk is er ook modern leven in de stad, maar IJslanders komen niet gestresst over. “Het is wat het is…” hoorde ik de chauffeur gisteren zeggen toen we te laat waren en de excursie met de RIB niet doorging. Daarmee is het dan ook klaar. In allerlei lijstjes staat IJsland bovenaan, van het fijnste leefklimaat, van een positiefst oordeel over politiek tot de positie van vrouwen in de maatschappij.
Zoals eerder stel ik mezelf de vraag: Zou ik hier kunnen leven? Nee, toch niet. Nu is het fijn, maar de winters zouden voor mij te lang zijn. Ik hou van de rijkheid van ons voorjaar thuis, bomen, bladgroen en stiekem ook wel van de broeierige zomers die altijd uitlopen in gedonder. Voor mij gaat de klimaatopwarming niet snel genoeg om op IJsland comfortabel te wonen. Maar ik wil hier zeker nog een keer terugkomen, het liefst met mijn eigen auto en het eiland van binnen naar buiten bekijken. De vulkanen zien, de geisers, slapen in schimmige hotelletjes en gasthuizen. En dan wil ik er met de ferry heen, een weekje Faeröer, paar weken IJsland en dan weer terug naar thuis. Waar het park, het bos, de hei de kleuren bepalen en het ruikt als thuis. Wat een weelde om die keuzes te hebben en altijd terug te kunnen vallen op een plek waar je thuisbent.