Vogelparadijs in Djupivogur

Overal waar we kijken zien we leven, horen we vogels die de korte zomer van IJsland toezingen

We zijn in ons element in IJsland en hebben een heerlijk ritme hervonden. Gisteren even lekker samen een film gekeken; De Da Vinci Code is en blijft een topfavoriet. De versie hier op de elektronische videotheek hier aan boord is langer met een aantal logische scenes die op Netflix ontbreken. Nog beter is hij zo!

Vroeg op en we zaten voor 8 uur al in de tender naar het kleine vissersplaatsje. We waren als een van de eersten van boord en hadden geen excursie geboekt. Er is een natuurgebied op loopafstand van de haven en daar hadden we ons geld op ingezet. En dat betaalde uit!

Onderweg ernaartoe hebben we eens goed kunnen kijken en luisteren naar de Koperwiek. Het is een IJslandse ondersoort met een prachtig lied. Het is een vogel uit de lijsterfamilie die bij ons alleen in het najaar met neef de Kramsvogel doortrekt. Dan eten ze samen de bessen uit duindoorns, maar vooral ook het gevallen fruit in boomgaarden die al een poosje liggen te gisten. Dan kun je daadwerkelijk dronken Koperwieken zien die een beetje lamlendig onder een appelboom liggen uit te brakken.

We liepen een stuk verder richting het natuurgebied en het asfalt werd een pad van sintels en stof met hier en daar een Witte Kwikstaart en zelfs een broedende Noordse Stormvogel. Links van de weg Lupines, een schitterende bloem die over het gehele eiland rijkelijk vertegenwoordigd is. Rechts in de verte een Raaf, met een goed hoorbaar ‘kròkrò’ in de ochtendstilte. Het is prachtig weer, droog, en later zou de zon ook door gaan breken. De wind van zee is fris, maar op een gekke manier fluwelig en vertrouwd.

We volgen het pad en zien Tureluurs, een Grutto, Wulpen en Watersnippen. Die laatste maakt een wonderlijk blatend geluid in de baltsvlucht. Het duurde even voordat we ons realiseerden dat die kleine vogels met lange snavels zo’n robuust geluid maakten.

We zagen in een poeltje Grauwe Franjepoten. Die zagen we al eerder deze reis, maar nu echt op een paar meter afstand. Er is helemaal niets ‘grauw’ aan dit beestje, het een frêle steltloper, niet veel groter dan een mus, met een dunne snavel en een haastig voorkomen. De kleuren zijn heel fraai opgebouwd in grijs, wit, karamel en cognac met allerlei sierlijke details. Het vrouwtje draagt iets minder kleur, maar het stel draaide gezellig om elkaar heen en leken zich niet te storen aan de kwijlende vogelaar en lustig knippende fotograaf.

We komen dichterbij de duiker die we al vanuit de verte zagen, dit bleken twee Roodkeelduikers en in zomerkleed zijn die echt heel fraai. Heel glad grijs kopje, donderrode keel (was te verwachten) en een gestroomlijnd lichaam fors groter dan een Fuut. Geweldig gezicht.

De broedende Tureluurs waren niet blij met ons terwijl wij de rudimentaire startbaan van het vliegveld afliepen. Er zal best wel eens een vliegtuig landen, maar alleen als er nood aan de man is. Dus ook de Visdiefjes en Noordse Sterns vonden wel ergens ongestoord een ondiep kuiltje tussen de stenen voor hun eieren. Nu wij hier langslopen willen ze echt dat we wegwezen en vliegen kekkend om ons heen. We zien Steenlopers, Wilde Zwanen met jongen, Eidereenden en in de verte een Kleine Jager. We lopen de startbaan af en komen op het beroemde ‘zwarte strand’ waar IJsland om bekend staat. Dat zand mag je niet mee naar huis nemen, maar ja... Het ruikt een beetje metalig en naar vuursteen en de eerste zonnestralen worden geabsorbeerd, waardoor het voelt alsof het strand vloerverwarming heeft.

We maken een heerlijke wandeling langs de zee, we zien nog een Grijze Zeehond en een Aalscholver. Af en toe gaan we even zitten om al het moois even op ons in te laten werken.

Dan gaan we langzaam terug en halverwege de startbaan kunnen we rechtsaf een pad met gele paaltjes volgen. Dat loopt wat organisch een gebied in met drassige stukjes, kleine klimmetjes en geweldige vergezichten over het wad en de zee. We zien daar twee Kleine Jagers die duidelijk een nest hebben. Af en toe vliegt er eentje op, maar ze blijven waakzaam en wij op veilige afstand. Dat is wat moeilijker voor de Eidereend die langs het pad zit te broeden. Ze vliegt op en laat haar blauwgroene eieren in de zon achter. Gelukkig keert ze binnen enkele minuten weer terug. We zien ook nog twee Middelste Zaagbekken, twee vrouwtjes die in een stroompje rustig aan het foerageren waren. Het is bij tijd en wijle een uitdagend pad waarin we regelmatig wat wegzakken of waarbij we echt voorzichtig over het ongelijke terrein voortploeterden. We nemen een ‘shortcut’, want we hebben er al ruim 10.000 stappen opzitten en vinden de gele paaltjes weer terug bij een meertje. Daar zitten Bergeenden met jongen, Wilde Zwanen en…IJseenden! Dat is echt een van de mooiste eenden en hebben niet alleen een prachtige tekening, maar ook een hele lange spriet aan de staart. Het zijn er een stuk of vijf en betoverend mooi.

Terug bij de startbaan kijken we nogmaals naar de duikers en de Slobeenden met pulletjes die daar zitten. Er is een soort duiker die een zwarte kop heeft, maar even afhankelijk van het formaat is het een IJsduiker of een Parelduiker. Ik hou het even op een Parelduiker, want de kop van een IJsduiker is hoekiger.

Overal waar we kijken zien we leven, horen we vogels die de korte zomer van IJsland toezingen. Dit alles wordt omarmd door een horizon van graniet, sneeuw en ijsblauwe lucht met witte wolkenstrepen. Vanuit zee komt een dikke grijze deken aan, maar nu genieten alle vogels van de zon en de relatieve warmte. Wij ook!

We lopen langzaam terug naar het dorpje op zoek naar een lunch en een plekje om van onze voetjes af te gaan. We laten het natuurgebied Búlandsnes achter ons, maar nemen een tas vol mooie beelden en herinneringen mee. En een zakje zwart zand…

Vorige
Vorige

IJslanders en hun IJsland

Volgende
Volgende

Reflecterend